Ooit trok de Boeddha door het land Magadha. Hij reisde van plaats naar plaats en naderde Rajagaha precies op het moment dat de dag ten einde liep. Het milde licht van de ondergaande zon verspreidde zich over de wijde vlakte, als een zegen van een goddelijke hand over de groene rijstvelden en weiden.
Hier en daar hingen kleine stofwolkjes vlak boven de grond, oplichtend als fijn goudstof, een teken dat de boeren en hun ossen na een dag hard werken op weg waren naar huis. De lange schaduwen van de bomen waren omgeven door een gloed die alle kleuren van de regenboog leek te weerspiegelen. Tussen de bloeiende tuinen door schitterden de poorten, dakterrassen en koepels van de hoofdstad. De omliggende rotsheuvels lagen daar in een ongekende kleurenpracht, alsof ze waren opgetrokken uit edelstenen zoals topaas, amethist en opaal.
Geraakt door dit uitzicht bleef de Boeddha staan. Met vreugde begroette hij de vertrouwde vormen die zoveel herinneringen opriepen: de Grijze Hoorn, het Brede Juk, de Zienersrots en de Gierenpiek, waarvan de top als een beschermend dak boven de andere heuvels uitstak. Maar vooral de berg Vibhara trok zijn aandacht, de berg van de warme bronnen. Daar, in de Sattapanni-grot, had hij zijn eerste thuis gevonden nadat hij alles achter zich had gelaten, het was zijn eerste echte rustplaats op de weg van Samsara naar Nirvana.
Hij dacht terug aan die tijd. Hij was toen nog jong, in de kracht van zijn leven, met glanzend donker haar. Tegen de wens van zijn huilende ouders in had hij het paleis in het noorden verlaten. Hij was naar de Gangesvallei getrokken en had hier voor het eerst langere tijd verbleven, terwijl hij elke ochtend in de stad om eten bedelde. In diezelfde grot had koning Bimbisara hem destijds opgezocht en tevergeefs gesmeekt om terug te keren naar zijn luxe leven. Maar de woorden van de jonge asceet raakten de koning zo diep, dat hij zijn eerste vertrouwen vond, het vertrouwen dat hem later tot een trouwe volgeling van de Boeddha zou maken.
Er was inmiddels een halve eeuw verstreken. In die vijftig jaar had de Boeddha niet alleen zijn eigen levenspad, maar de loop van de hele wereld veranderd. Wat een verschil met toen! Destijds was hij nog een zoeker, iemand die worstelde om bevrijding. Hij had vreselijke innerlijke gevechten geleverd en jarenlang vruchteloos gevast, zo streng dat zijn toehoorders er later kippenvel van kregen als hij erover vertelde. Pas nadat hij die extreme zelfkastijding volledig had overwonnen, vond hij door diepe meditatie de verlichting.
Uit hoofdstuk 1, De Verhevene groet de stad van de vijf heuvels
Inhoud
Inleiding bij de vertaling 7
1. De Verhevene groet de stad van de vijf heuvels 11
2. De Ontmoeting 15
3. Naar de oevers van de Ganges 19
4. De balspelster 23
5. Het magische portret 25
6. Op het terras van de zorgenlozen 28
7. In de kloof 35
8. De paradijsknop 38
9. Onder het roversgesteente 43
10. De Geheime leer 53
11. De olifantenslurf 55
12. Bij het graf van de heilige Vajagravas 61
13. De Levensgenieter 65
14. De echtgenoot 68
15. De kale paap 72
16. Strijdvaardig 75
17. In de thuisloosheid 78
18. In de hal van de pottenbakker 83
19. De Meester 84
20. Het onverstandige kind 86
21. Midden in de loop 91
22. In het Paradijs van het Westen 99
23. Zalige dansen 101
24. De Koraalboom 105
25. De knop opent zich 107
26. De ketting met het tijgeroog 109
27. De Daad van Waarheid 115
28. Aan de oevers van de hemelse Ganga 117
29. In de geur van de koraalbloesem 120
30. "Alles wat ontstaan is…" 123
31. De verschijning op het terras 125
32. Satagira 130
33. Angulimala 135
34. De speerhel 138
35. Een zuiver offer 143
36. Boeddha en Krishna 149
37. Het verwelken van het paradijs 154
38. In het rijk van de honderdduizendvoudige Brahma 159
39. Wereldvervaging 161
40. In het Krishna-bos 167
41. De eenvoudige spreuk 172
42. De zieke non 175
43. Het Nirvana van de Voltooide 181
44. Vasitthi's legaat 189
45. Wereldnacht en werelddageraad 195
Wegwijs in de wereld van Kamanita, begrippen en namen 201
Wie is wie in De pelgrim Kamanita? 204
De auteur 206